Nederlandse Gebarentaal leren

Praktische workshops, trainingen en cursussen voor organisaties en particulieren.

Een taal die zich niet liet stoppen

De geschiedenis van Gebarentaal - deel 1

Met je handen kun je een vraag stellen, een verhaal vertellen en laten zien wat je voelt. Gebarentaal geeft ruimte om kennis te delen, contact te maken en jezelf te ontwikkelen. Toch is het gebruik ervan niet altijd vanzelfsprekend geweest.

De geschiedenis van gebarentaal kent bijzondere ontmoetingen en belangrijke ontwikkelingen, maar ook een periode waarin gebaren uit het onderwijs werden verdrongen. Ondanks die tegenwerking bleef de taal bestaan.

De eerste stappen in het onderwijs

Gebarentaal is niet door één persoon uitgevonden. Waar dove mensen samenleven en met elkaar communiceren, kunnen gebarentalen ontstaan en zich ontwikkelen. De geschiedenis van die talen gaat dus verder terug dan de oprichting van dovenscholen.

In de zestiende eeuw speelde de Spaanse benedictijner monnik Pedro Ponce de León een belangrijke rol in het onderwijs aan dove kinderen. Hij gaf les aan kinderen uit adellijke families en liet zien dat zij konden leren lezen, schrijven en spreken.

Zijn bijdrage lag daarmee vooral in het toegankelijk maken van onderwijs. Hij was niet de uitvinder van de eerste officiële gebarentaal, zoals soms wordt verteld.

Dát onderscheid is belangrijk. De taal ontstond tussen mensen; onderwijzers zochten vervolgens naar manieren om kinderen les te geven. Want toegang tot taal betekent ook toegang tot informatie, ontwikkeling en persoonlijke groei.

Parijs als ontmoetingsplek

In de achttiende eeuw maakte de Franse geestelijke Charles-Michel de l’Épée kennis met twee dove meisjes die met elkaar gebaarden. Hun manier van communiceren vormde een belangrijk vertrekpunt voor zijn onderwijs.

Vanaf ongeveer 1760 ging hij dove kinderen lesgeven in Parijs. Hij gebruikte bestaande gebaren en ontwikkelde daarnaast een systeem van onderwijsgebaren om het geschreven Frans uit te leggen. Daarmee gaf hij gebaren een belangrijke plaats in zijn lessen.

Zijn werk kreeg ook buiten Frankrijk aandacht. Mensen kwamen naar Parijs om kennis te maken met deze manier van lesgeven en namen hun ervaringen mee naar andere landen.

Zo werd Parijs een belangrijke plek voor de verspreiding van onderwijs met gebaren. Een concreet voorbeeld is Thomas Hopkins Gallaudet, die er de onderwijsmethode bestudeerde en later samen met de dove onderwijzer Laurent Clerc een school in de Verenigde Staten opende.

Dat betekent overigens niet dat alle gebarentalen uit de Franse Gebarentaal zijn ontstaan. Gebarentalen hebben ieder hun eigen geschiedenis, al hebben sommige elkaar door deze internationale contacten beïnvloed.

Codex Hammurabi - Gebarentaal al in mesapotanie. AI gegenereerrd beeld

Er is in één van de oudste geschriften, de Codex Hammurabi (1780 v. Chr.), al een fragment gevonden over gebarentaal. Twee dove personen moesten voor de rechtbank verschijnen en middels gebaren werd hen e.e.a. uitgelegd. Deze Codex is terug te vinden in het Louvre in Parijs. (Bovenstaande afbeelding is een AI gegenereerde afbeelding geïnspireerd op Mesopotanië / Babylonië)

Van Parijs naar Groningen

Ook Henri Daniël Guyot maakte kennis met het onderwijs van De l’Épée. Guyot was predikant in Groningen en raakte geïnteresseerd in de mogelijkheden die deze aanpak bood.

Hij nam zijn ervaringen mee naar Nederland en richtte samen met andere betrokkenen in 1790 het eerste Nederlandse doveninstituut op, in Groningen. Dove kinderen kregen daarmee een plek waar zij onderwijs konden volgen en elkaar konden ontmoeten.

Dat laatste was minstens zo belangrijk. Een school was niet alleen een plek om te leren lezen en schrijven. Kinderen ontmoetten er ook anderen met wie zij konden gebaren, ervaringen konden delen en vriendschappen konden opbouwen.

Vijf regio’s, verschillende gebaren

Naast Groningen ontstonden ook dovenscholen in andere delen van Nederland. Rondom de instituten in Amsterdam, Rotterdam, Sint-Michielsgestel en Voorburg ontwikkelden zich eveneens gemeenschappen van gebarentaalgebruikers.

Zo ontstonden vijf bekende regionale varianten binnen de Nederlandse Gebarentaal.

Kinderen namen gebaren van elkaar over en gaven die weer door aan nieuwe leerlingen. Omdat de scholen en gemeenschappen niet voortdurend met elkaar in contact stonden, ontwikkelden sommige gebaren zich per regio anders.

Voor hetzelfde woord kon iemand uit Groningen dus een ander gebaar gebruiken dan iemand uit Rotterdam. Dat kon soms voor verwarring zorgen. Het waren echter geen vijf volledig afzonderlijke talen: het ging om regionale verschillen, vergelijkbaar met dialecten.

Die variatie is nog steeds terug te zien. Het Nederlands Gebarencentrum vermeldt bijvoorbeeld meerdere regionale gebaren voor het begrip ‘vriend’. Door meer onderling contact nemen mensen tegenwoordig ook gemakkelijker gebaren van elkaar over. 

Onderwijs, maar ook ver van huis

Voor kinderen en hun families betekende onderwijs op een instituut soms een grote verandering. Niet ieder kind woonde in de buurt van een school. Kinderen moesten reizen en verbleven vaak in een internaat, waardoor zij langere tijd van huis waren.

Dat bood mogelijkheden om te leren en andere dove kinderen te ontmoeten. Tegelijkertijd kon het moeilijk zijn om het dagelijkse contact met ouders, broers en zussen te missen.

Het leven op een instituut was dan ook niet voor iedereen hetzelfde. Naast verhalen over vriendschap en verbondenheid zijn er pijnlijke ervaringen met strenge regels, bestraffing en onveiligheid.

De geschiedenis van deze scholen verdient daarom aandacht vanuit beide kanten: de kansen die zij boden én de ervaringen van de kinderen die er woonden.

Milaan, 1880: gebaren moesten plaatsmaken

Een ingrijpend keerpunt kwam in 1880. Tijdens een internationaal congres over dovenonderwijs in Milaan werd de voorkeur uitgesproken voor onderwijs volgens de orale methode.

Deze methode richtte zich op het leren spreken en verstaan van gesproken taal, onder meer door spraakafzien, vaak liplezen genoemd. Gebarentaal moest daarbij plaatsmaken voor gesproken taal.

Het congres voerde geen wereldwijd wettelijk verbod in. De besluiten hadden wel grote invloed: op veel scholen werden gebaren uit de lessen geweerd of verboden. Deze resolutie ging op 1880 in en werd pas in 1980 opgeheven. Vanaf dat jaar mochten gebaren weer gebruikt worden in het onderwijs en elders, zónder dat daar een strafrechtelijke maatregel aan te pas kon komen. Er is dus een periode van zo’n 100 jaar geweest waarin gebarentaal eigenlijk niet gebruikt mocht worden.  

De overtuiging was dat kinderen zich beter zouden ontwikkelen wanneer zij uitsluitend gesproken taal leerden. Daarbij werd onvoldoende rekening gehouden met hun toegang tot die taal en met de waarde van gebarentaal.

Wanneer leren spreken de les overneemt

Leren spreken en spraakafzien kan veel tijd en inspanning vragen. Bovendien is gesproken taal niet voor ieder doof kind even toegankelijk.

Wanneer een groot deel van de schooldag gericht is op spraakoefeningen, blijft er minder ruimte over voor andere kennis en vaardigheden. En wanneer uitleg niet goed toegankelijk is, wordt het moeilijker om de inhoud van een les te begrijpen.

De gevolgen van de besluiten in Milaan gingen daarom verder dan de keuze voor een onderwijsmethode. Veel kinderen verloren toegang tot onderwijs in gebarentaal. Dat raakte hun mogelijkheden om te leren, mee te doen en zich te ontwikkelen. De invloed daarvan werkte generaties lang door.

Gebaren bleven bestaan

Toch verdwenen de gebaren niet: Kinderen bleven met elkaar communiceren, ook wanneer gebaren tijdens de lessen niet mochten. Buiten het zicht van leerkrachten, op de speelplaats of in het internaat bleven zij hun taal gebruiken en aan elkaar doorgeven.

Dat kon bestraft worden. Juist daardoor krijgt deze periode een extra pijnlijke betekenis: kinderen konden worden gestraft voor een manier van communiceren die voor hen toegankelijk was.

Ondanks die druk bleven gebaren onderdeel van het leven binnen de dovengemeenschap. De taal werd doorgegeven in ontmoetingen, vriendschappen en dagelijkse gesprekken.

Langzaam kwam er weer ruimte

De terugkeer van gebaren in het onderwijs gebeurde niet op één vaste datum en niet overal tegelijk. In de loop van de twintigste eeuw ontstond geleidelijk opnieuw ruimte voor visuele communicatie. 

Vanaf de tijd waarin de resolutie werd opgeheven, dus vanaf 1980 en na een periode van zo’n 100 jaar waarin Gebarentaal in het onderwijs dus niet gebruikt mocht worden, zijn er verschillende projecten opgestart voor ontwikkelen van verbeterde onderwijsmethoden.  

Ook binnen het speciaal onderwijs groeide de behoefte om gesproken taal met gebaren te ondersteunen. Bijvoorbeeld de begeleiders van Weerklank: In de jaren zeventig gebruikten zij al gebaren voor dagelijkse handelingen, zoals WC en BROOD SMEREN.

Zulke voorbeelden maken duidelijk waarom gebaren nodig waren: om elkaar te begrijpen en kinderen te laten weten wat er gebeurde.

Daarbij is er een verschil tussen Nederlandse Gebarentaal, een zelfstandige taal met een eigen grammatica, en Nederlands met gebaren, waarbij gesproken Nederlands met gebaren wordt ondersteund. Beide maken gebruik van gebaren, maar zijn niet hetzelfde.

Een erkenning die lang op zich liet wachten

Pas in 2010 werden de besluiten van Milaan formeel verworpen tijdens het internationale congres over dovenonderwijs in Vancouver. Daarbij werd erkend welke schade het uitsluiten van gebarentaal had veroorzaakt.

Dat moment maakte het verleden niet ongedaan. Het gaf wel een belangrijk signaal: gebarentaal verdient een plaats in het onderwijs en in het leven van de mensen die deze taal gebruiken.

De geschiedenis van gebarentaal is daarmee ook een geschiedenis van doorzettingsvermogen. Van kinderen die bleven gebaren, gemeenschappen die hun taal doorgaven en mensen die zich inzetten voor toegankelijk onderwijs.

Een taal die zich niet liet stoppen.